No open-access location is known for this record yet.
No open-access location is known for this record yet.
Het is bekend dat Nederland, in vergelijking met omringende landen, een achterstand heeft in naslagwerken op biografisch gebied.In brede kring wordt dat als een gemis ervaren, al mag men toch erkentelijk zijn voor wat gepubliceerd is.Zo heeft met alle tekortkomingen bijvoorbeeld de laatste editie van J. G. Frederiks en F. Jos.van den Branden, Biographisch Woordenboek der Noord-en Zuidnederlandsche letterkunde (Amsterdam, [1888-1891]) voor het bestuderen van negentiende-eeuwse schrijvers nog steeds nut 1 .Hetzelfde geldt toch ook in ander verband voor A. J. van der Aa, Biographisch Woordenboek der Nederlanden (21 dln.; Haarlem, 1852-1878) met zijn c. 26.000 artikelen 2 , hoewel P. C. Molhuysen, de latere bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek en één der redacteuren van het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (NNBW), in 1909 voor Van der Aa's werk weinig waardering bleek te hebben 3 .Het was volgens hem te wijdlopig en de omvang van vele artikelen was omgekeerd evenredig met de betekenis van de figuren.Hij vertrouwde erop dat in dit opzicht het NNBW een belangrijke verbetering zou zijn, vergeleken bij Van der Aa 4 .Het werk dat in 1911 werd gestart, vooral dank zij P. J. Bloks inspanning, omvatte prominente Nederlanders overleden vóór 1910 en had als uitgangspunt het A-Z principe per deel, zulks in tegenstelling tot Van der Aa's opzet.Als redacteuren naast Molhuysen en Blok dienen vooral L. Knappert en later Fr.H. K. Kossmann genoemd te worden, terwijl vele medewerkers kopij leverden tegen een honorarium van ƒ 30,voor 1 vel druks (32 kolom) 5 .Het werk, dat bij A. W. Sijthoff in Leiden werd uitgegeven, was begroot op c.-12delenen kostte volgens het-bestelbiljet vóór-de intekendatum f 10,en daarna ƒ 11,50 per deel.Het tiende en laatste deel kwam in 1937 op de markt en het gehele werk omvatte c. 21.000 artikelen 6 op een totaal aantal bladzijden van c. 7.000 (exclusief de registers).Dat ook Molhuysen c.s. moeite had met het uitzetten en binnenkrijgen van de kopij, blijkt onder andere uit het 'Woord vooraf' in deel 6. Naarmate het werk vorderde, BIOGRAFISCH WOORDENBOEK VAN NEDERLAND werd het aantal auteurs minder, hetgeen valt af te leiden uit de gepubliceerde lijst van medewerkers.Waren er in het eerste deel 144 te tellen, in het laatste komen we nog niet op de helft, terwijl allerlei factoren als oorlog en crisis kennelijk invloed hadden op het tempo van publiceren; tussen deel 3 en 4 ligt bijvoorbeeld een periode van vier jaar.De ongunstige tijdsomstandigheden maakten een rijkssubsidie noodzakelijk om de voortzetting van het NNBW te waarborgen 7 .Uiteraard is ook Molhuysens werk niet aan kritiek ontsnapt.Gelukkig heeft hij de felle beoordeling van Verhellouw niet meer meegemaakt, want dan had hij een koekje van eigen deeg te proeven gekregen.In 1946 fulmineerde deze: '... terwijl aan vooraanstaande personen zeer korte artikelen zijn gewijd ... vindt men ellenlange bijdragen over weinig beteekenenden ...' Verder ontbrak er volgens hem eenheid in de bewerking en lag er een te sterk accent op de theologie: aan deze rubriek werd 32% van het totaal gewijd, exclusief de joodse godgeleerden, terwijl vele kunstenaars en geleerden niet aan bod kwamen 8 .Zijn zwaarste geschut richtte hij op de genealogische tekortkomingen.In zestig bladzijden maakte hij aanmerkingen, stelde verbeteringen voor, gaf aanvullingen en dat alles sloeg dan nog alleen op hetgeen hij in het Nederland's Adelsboek en Nederland's Patriciaat opgezocht had.Hij besloot: 'Indien men dus in Nederland weer zulk een werk zal uitgeven dan hoop ik dat en de medewerkers en de redactie met meer zorg de door hen aanvaarde taak zullen uitvoeren' 9 .Zou deze waarschuwende vinger zoveel indruk hebben gemaakt dat het tot de jaren zestig heeft geduurd, alvorens de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde definitief voorstelde tot een vervolg op het NNBW te komen?Sijthoff heeft zich van die forse kritiek in ieder geval weinig aangetrokken en kwam in 1964 met een herdruk voor de dag, waarvan de prijs per deel op ƒ. 60,-kwam, terwijl de firma Nico Israël in 1974 eveneens in een ongewijzigde herdruk brood zag.Het totaalbedrag was bij intekeningƒ.875,-en ernaƒ.990.-Hoe het ook zij, het was weer een latere bibliothecaris van de KB, prof.L. Brummel, die in de Historische Commissie van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde het initiatief nam tot de voortzetting van het NNBW, mede naar aanleiding van een plan van prof.J. M. Romein 10 .Contact werd opgenomen met mr.H. F. Wijnman, de vroegere onderbibliothecaris van de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam, aan wie een subsidie van ZWO werd verleend om de mogelijkheden te onderzoeken en met concrete voorstellen te komen.Zijn rapport leidde ertoe dat hij in mei 1962 als secretaris-redacteur zijn werkzaamheden begon.Zijn assistente, mevr.drs.M. G. N. Huizinga, stond hem in volledige dagtaak terzijde; hun werkkamer bevond zich in de UB te Amsterdam.Het honorarium zou tot 1964 naast andere kosten door ZWO worden betaald.Daarna diende O K en W bereid gevonden te worden deze bedragen voor zijn rekening te nemen 11 .Een inmiddels gevormde redactiecommissie, bestaande uit de hoogleraren Brummel, De la Fontaine Verwey en Schöffer, zou op dit werk toezicht uitoefenen 12 .Ondertussen was uit contact met de firma Sijthoff gebleken dat voor een supplementdeel een subsidiebedrag, van ƒ.47.500,-nodig was om de kosten te dekken van zetten, drukken en papier voor 750 exemplaren en de bindkosten voor de eerste honderd.De verkoopprijs werd op c. ƒ. 85,-geta-7.Volgens mededeling in NNBW, V. 8 Verhellouw, 'Genealogische aanvullingen', 1. 9.
Loading…
Stored only when both papers are in the corpus — 107 citations exist upstream.
Imported from OpenAlex (CC0) — nothing here is generated.