In dit proefschrift is verslag gedaan van een aantal studies naar de gevoeligheid voor werkwoordsmorfologie, in het bijzonder congruentie tussen het werkwoord en het onderwerp, bij personen met ontwikkelingsdyslexie. Ontwikkelingsdyslexie refereert aan een leesstoornis die niet voortkomt uit een tekort aan intelligentie, onderwijs of neurosensorische vermogens, maar juist wordt gekenmerkt door een discrepantie tussen het verwachtte leesniveau (op basis van de algemene cognitieve en fysieke ontwikkeling) en het eigenlijke leesniveau. Bij ongeveer 3-10% van de Nederlandse bevolking komt dyslexie voor, maar mensen met dyslectische familieleden hebben ongeveer 40% kans op dyslexie wat aangeeft dat er een erfelijke component bij betrokken is. Ontwikkelingsdyslexie wordt niet alleen gekenmerkt door ernstige problemen in de ontwikkeling van lees- en schrijfvaardigheden, maar ook de ontwikkeling van gesproken taal lijkt te verschillen van dat van kinderen zonder dyslexie. Met name de fonologische component van taal is aangedaan en vaak wordt dyslexie dan ook omschreven als voortkomende uit een fonologisch tekort. Het bewustzijn van de verschillende fonemen binnen een woord is belangrijk voor het aanleren van leesvaardigheden, aangezien de eerste stap van dat leerproces inhoudt dat grafemen aan fonemen verbonden moeten worden. Als er sprake is van ondergespecificeerde klankrepresentaties wordt de grafeemfoneem koppeling nadelig beïnvloed. Naast problemen met fonologisch bewustzijn, blijkt het verbale werkgeheugen minder goed te functioneren in dyslexie. Dit is sterk gerelateerd aan de fonologische problemen, aangezien het verbale werkgeheugen gebaseerd is op fonologische representaties, die dus minder precies blijken te zijn gespecificeerd in dyslexie. Behalve onderzoek naar fonologische problemen bij ontwikkelingsdyslexie, wordt ook aandacht besteed, hetzij in mindere mate, aan lexicaal-semantische en grammaticale vaardigheden in de gesproken taal. Problemen met het begrip van passieve zinnen, zinnen met een relatieve bijzin en persoonlijk voornaamwoorden in een bepaalde zincontext zijn gesignaleerd, evenals verminderde productieve en receptieve woordenschat. Ook blijken kinderen met dyslexie minder goed te zijn in het produceren van werkwoorden in de verleden tijd. Het onderwerp van dit proefschrift is werkwoordscongruentie. Deze morfosyntactische vaardigheid is –voor zover bekend- nog niet bestudeerd in dyslexie, maar dergelijke informatie is nodig om tot een meer complete linguïstische typologie te komen. Verder kan werkwoordscongruentie gebruikt worden om oorzaken van grammaticale problemen bij ontwikkelingsdyslexie te evalueren. In het onderzoek naar taalproblemen bij dyslexie zijn grofweg drie verschillende hypothesen te onderscheiden over de oorsprong van dergelijke problemen. De eerste hypothese suggereert dat een achterstand in de grammaticale ontwikkeling te wijten is aan het gevolg van de leesproblemen van kinderen met dyslexie. Over het algemeen lezen kinderen met dyslexie minder dan kinderen zonder leesproblemen en is het tekstniveau ook minder hoog. Het is niet ondenkbaar dat verminderde ervaring in lezen van nadelige invloed is op grammaticale ontwikkeling, aangezien behalve het horen van taal, maar ook het zien van taal extra nadruk kan geven op taalstructuur. Verder kan de ontwikkeling van structuren die niet frequent gebruikt worden in gesproken taal (zoals passieve zinnen), maar wel in geschreven taal door middel van lezen sneller en beter op gang komen. Een tweede idee over de oorsprong van grammaticale problemen bij kinderen met dyslexie is dat deze voortkomen uit de fonologische problemen die ook de oorzaak zijn van de leesproblemen. Experimenten hebben aangetoond dat als de druk op het verbale werkgeheugen verminderd wordt, de resultaten op grammaticale taken verbeteren. Het verbale werkgeheugen is in sterke mate gerelateerd aan fonologie, aangezien hier fonologische representaties verwerkt worden. Verder nemen Joanisse e.a. (1998; 2000) aan dat werkwoordsmorfologie in zekere mate afhankelijk is van fonologische processen. Bij de verbuiging van werkwoorden dient gerealiseerd te worden dat het werkwoord uit een stam bestaat en het vervoegingmorfeem, wier oppervlakteverschijning afhangt van de fonologische kenmerken van de werkwoordsstam (bak-te/huil-de). Als laatste is gesuggereerd dat grammaticale problemen bij dyslexie losstaan van andere problemen bij dyslexie, maar dat er sprake is van een specifieke stoornis in het grammaticale systeem, die losstaat van externe factoren, zoals werkgeheugen. Deze stoornis zou volgens sommige onderzoekers het leesproces nadelig kunnen beïnvloeden, aangezien niet optimaal gebruik kan worden gemaakt van de context van het te decoderen woord. Deze assumptie rust op de aanname dat het koppelen van grafemen aan fonemen uiteindelijk een geautomatiseerd proces is. Als een persoon door middel van de zinsstructuur weet welk woord gelezen moet worden, zullen minder foutieve leermomenten zich voordoen, waardoor de grafeem-foneem koppeling sneller kan automatiseren. In plaats van het relateren van één grafeem aan één foneem kunnen combinaties van grafemen meteen aan de bijbehorende klanken gekoppeld worden. Op deze manier kan grammaticale kennis van positieve invloed zijn op het leren decoderen van woorden. Deze drie hypothesen zijn in dit proefschrift door middel van een aantal experimenten getoetst. Hoofdstuk 4 doet verslag van een onderzoek naar werkwoordscongruentie bij kinderen in groep 2 die een familiair risico lopen op ontwikkelingsdyslexie. Een groep van 20 kinderen werd vergeleken met een groep van 12 kinderen zonder een dergelijk risico op taken die werkwoordscongruentie in de gesproken taal (een grammaticaliteitsoordeeltaak), fonologische vaardigheden (fonologisch bewustzijn, rapid naming) en vroege geletterdheidvaardigheden meten (actieve en passieve letterkennis). De resultaten laten zien dat de risicokinderen significant slechter waren in het discrimineren tussen zinnen met werkwoorden die wel of niet goed vervoegd waren voor persoon en getal en dat ze ook slechter scoorden op de fonologisch bewustzijntaak en de passieve letterkennistaak. Na een jaar van leesonderwijs in groep 3 werd door middel van AVIscores vastgesteld wie van de groep van risicokinderen daadwerkelijk moeite had met lezen. De scores op de experimentele taken werden nog een keer geanalyseerd, maar nu werden de groepen ingedeeld met betrekking tot ‘normale leesontwikkeling’ en ‘achterblijvende leesontwikkeling’. De laatste groep kinderen was significant minder gevoelig voor werkwoordscongruentie en had significant meer moeite met de fonologische taak en de letterkennistaken. Een correlatieanalyse liet zien dat werkwoordscongruentie correleerde met fonologisch bewustzijn en letterkennis, wat aangeeft dat er een relatie bestaat tussen fonologische en morfosyntactische vaardigheden, zoals verwacht op basis van de tweede hypothese. Verder werd door dit experiment duidelijk dat een achterblijvende leeservaring van kinderen met dyslexie, ten opzichte van hun normaal lezende leeftijdsgenootjes, niet de oorzaak kan zijn van een verschil in prestatie op de grammaticaliteitsoordeeltaak, aangezien beide groepen kinderen nog niet konden lezen en geen leeservaring hadden. In hoofdstuk 5 worden een tweetal studies beschreven die nader ingaan op de relatie tussen fonologische en morfosyntactische vaardigheden in dyslexie. Allereerst wordt een experiment beschreven waarin werkwoordscongruentie in de gesproken taal werd onderzocht bij kinderen van ongeveer 8 jaar oud waarbij dyslexie vastgesteld was om te onderzoeken of ook op deze leeftijd problemen met werkwoordscongruentie voorkomen. Verder werden de prestaties van de dyslectische kinderen niet alleen vergeleken met die van normaal lezende leeftijdsgenootjes, maar ook met die van kinderen die op hetzelfde niveau lezen als de dyslectische kinderen (en dus ongeveer twee jaar jonger zijn). Deze laatste groep is geïncludeerd om de invloed van leeservaring op werkwoordscongruentie te onderzoeken. Werkwoordscongruentie werd onderzocht door middel van een grammaticaliteitsoordeeltaak en door middel van een analyse van spontane taal. De resultaten laten zien dat de dyslectische leerlingen significant meer fouten maken op de oordeeltaak dan zowel de op leeftijd gematchte groep als de op leesniveau gematchte groep. Ook produceren de dyslectische kinderen meer congruentiefouten in hun spontane taal dan hun leeftijdsgenootjes. De oorzaak van deze verminderde gevoeligheid voor werkwoordscongruentie is in een tweede studie onderzocht door fonologische en decodeervaardigheden te meten en deze gegevens te koppelen aan de resultaten op de grammaticaliteitsoordeeltaak die gevoeligheid voor werkwoordscongruentie meet. Verder heeft ook een groep kinderen met een specifieke taalontwikkelingsstoornis (Specific Language Impairment: SLI) meegedaan aan dit onderzoek. De symptomen van kinderen met SLI blijken in zekere mate te overlappen met die van kinderen met dyslexie: SLI wordt niet alleen gekenmerkt door problemen in grammaticale en fonologische vaardigheden (naast andere taalproblemen), maar ongeveer 50% van deze kinderen kan ook als dyslectisch beschouwd worden. Deze observaties hebben aanleiding gegeven tot twee ideeën over de relatie tussen dyslexie en SLI: 1) dyslexie en SLI zijn alleen kwantitatief van elkaar verschillend, in de zin dat dyslexie een ‘mildere’ vorm van SLI is, en 2) dyslexie en SLI zijn kwalitatief verschillende syndromen. Het doel van de tweede studie beschreven in hoofdstuk 5 was om naast het achterhalen van de stoornis onderliggend aan de problemen met werkwoordscongruentie, te onderzoeken of de resultaten van kinderen met dyslexie en SLI vergelijkbaar zijn. Een groep kinderen met dyslexie (n=20), SLI (n=21) en een groep controlekinderen (n=18) hebben meegewerkt. Hun decodeervermogen, auditieve en fonologische (verwerkings-) vaardigheden en hun werk
Stored only when both papers are in the corpus — 99 citations exist upstream.
Imported from OpenAlex (CC0) — nothing here is generated.